De Gazet van Antwerpen interviewde op 24 maart TICkA collega Jef Brouwers. Zie hier enkele fragmenten uit het interview.

Hoe verloopt de samenwerking met Roberto Martinez? “Als Martinez vragen heeft, stelt hij ze. Ik ben zijn klankbord over psychologische zaken, net zoals hij andere klankborden heeft. Martinez zal nooit zeggen: ik ben zelf een psycholoog.”

Heeft u contact met de spelers? “Nee. Tot hiertoe is dat een bewuste keuze. Martinez bepaalt hoe ik werk. Ik ga me niet opdringen, ik wil ook geen toerist zijn die meereist met de Rode Duivels. Het zou kunnen dat ik dichter bij de groep kom als er een tornooi aankomt. Maar die keuze is aan Martinez.”

Wat voor vragen stelt hij u? “Bijvoorbeeld: vertel mij iets over België. Ik ben ontzettend bezig met diversiteit. Hoe je schijnbare tegenstellingen tussen mensen kunt verzoenen. De stereotypie is dat alle donkere spelers luieriken zijn. Maar ik ga uitleggen hoe je met zulke jongens moet omgaan. Ik ga beschrijvend te werk, niet veroordelend. Ik leg uit wat de Belgische cultuur is. Ik zeg vaak: wij Belgen hebben geen mentaliteit van prestatie, wij hebben een mentaliteit van status. Wie je bent is bij ons belangrijker dan wat je hebt gedaan.”

Elke Clijsters zei over haar rela­ tiebreuk: als ex­tennisster was het voor mij heel normaal een psycholoog te raadplegen. Is dat voor een voetballer moeilijker? “Natuurlijk. Voetbal is een gigantische machocultuur. Die vind je terug in alle clubs, op alle niveaus, tot in het jeugdvoetbal toe. Het is bijvoorbeeld ook de reden waarom het zo moeilijk is voor homoseksuele voetballers om uit de kast te komen. Maar ik heb niet de ambitie de voetbalcultuur te veranderen. Ik ga niet aan de spelers zeggen: wees nederig en draag allemaal dezelfde jeans. Wie over Michy Batshuayi zegt: ik ga hem in een deftige broek en een polo steken, die wens ik veel succes. Dat is verloren energie.”

Op het EK misten enkele spelers hun kinderen. Voor Marc Wilmots waren ze niet welkom. Heeft dat een invloed op de prestaties? “Onderzoek naar de hersenen toont aan dat men oxytocine – zeg maar het gelukshormoon – aanmaakt als men zijn kinderen ziet. Alles wat goed aan- voelt, werkt versterkend in de presta- tie. Dus omgekeerd: mensen zijn on- gelukkig als ze hun vrouw en kinde- ren niet kunnen zien. Je ziet ook in de koers renners met kleine mannen op het podium. Mensen van mijn generatie staan daar afkerig tegenover. Maar de wereld verandert.”

Kunnen supporters voor het ge­lukshormoon zorgen? “Nee, er zijn heel veel onderzoeken geweest over het thuisvoordeel. Dat thuisvoordeel bestaat, maar heeft niets met de supporters te maken. Dat zit in het hoofd van de spelers zelf. Omdat ze zich letterlijk thuis voelen. Niet omdat er zoveel duizenden sup- porters in het stadion zitten. Suppor- ters moedigen aan en twee minuten later fluiten ze uit. Denk maar aan Ro- melu Lukaku. Daarom hebben top- spelers geleerd zich af te schermen van het publiek.”

Het hele artikel en interview kan u terugvinden op de website van De Gazet van Antwerpen.

Share